Wouter Nouwens over ontroeren en ontdekken

Het optimisme van de banjo in barre tijden van corona

door Jelle Boonstra

"Ik bof nog dat ik niet van de muziek hoef te leven”

Dat ook zijn bijdrage aan het Breda Jazz Festival dit jaar in principe digitaal zal zijn, is dus wel even slikken, nog steeds geen publiek. Maar zijn hoop is dat bij het vieren van de teugels toch meer blijkt te kunnen dan nu voorzichtig in het draaiboek staat. ”De essentie van muziek maken is en blijft voor mij de interactie die bij een concert ontstaat.” Digitaal rijmt op kaal – het moet maar - als het beslist niet anders kan. In een normaal jaar is het leven van Wouter Nouwens gelardeerd met optredens. In eigen land (waar hij faam verwierf in de New Orleans Second Line Jazzband en de Miss Lulu’s Red Hot Creole Jazz Band), en ook in het buitenland; hij is veel in Scandinavië, in Italië, in Zwitserland. Nu bleven de blaadjes in de agenda leeg. “Dan bof ik nog dat ik niet van de muziek hoef te leven”, zegt Wouter die zichzelf als een ‘professioneel amateur’ omschrijft. Dat professionele zit ‘m in het streven om zo goed mogelijk te worden – wat hem met de tenorbanjo en de tenorgitaar in de traditionele jazzmuziek zonder twijfel is gelukt.

En dat amateurschap is met voorbedachte rade. Al vroeg in zijn leven besloot hij zijn boterham met iets anders te verdienen dan met muziek. “Ik ben jong begonnen, om me heen zag ik beroepsmusici sappelen, die gaven les of moesten in een paashaaspakje op de Efteling spelen.” Dankzij z’n automatiseringsbedrijf (met tien man personeel) kwam hij zonder veel averij het coronajaar door. “We zaten niet in een hoek waar de klappen vielen, dat was geluk en toeval ineen”, zegt hij. Niettemin was het afzien zonder de muziek als passie. ‘’We hebben digitaal - en op afstand - één nummer opgenomen.” Normaal duurt het spelen van een nummer drie minuten, nu waren ze er met z’n allen bijna drie maanden mee doende. De banjo kwam nauwelijks uit het foedraal. “Maar in mijn hoofd was ik constant bezig, denken, arrangeren. Uitknobbelen hoe je het moest spelen. En bij de opname: bam, kwam dat in één keer goed.” Dat soort onderdruk bouwt zich verder op, hij ziet het bij anderen: iedereen heeft zich zo lang ingehouden, dat ze straks als lenteveulens die op de weide worden losgelaten, alles willen inhalen.”

Breda Jazz Festival 2008. Met v.l.n.r. verder Herbert Christ (trompet), Joep Peeters (piano), Chris Tanner (klarinet), Karel Algoed (bas), Wouter Nouwens (banjo) en Steve Yocum (trombone).

Ook Breda Jazz Festival 2008. V.l.n.r. Wouter Nouwens, Colin Dawson (trompet), Brian Turnock (bas), Steve Yocum (trombone) en nét zichtbaar achter hem Onno de Bruijn (drums).

"De banjo kan ook ontroeren”

De banjo is lang niet bij iedereen populair. Beperkt! Dominant! Eenzijdig! - trefwoorden, die bepaald niet aardig zijn. ‘’En beperkt in de tijd, maar kort populair in de traditionele New Orleans stijl, van 1920 tot iets voor 1930.” Waar anderen erop uitgekeken raakten, heeft de liefde van Wouter zich alleen maar verdiept. En het is dus niet zo dat het met een banjo alleen maar vrolijkheid is wat de klok slaat. “Bij begrafenissen heb ik gezien dat de banjo ook kan ontroeren, voor mij is dat ook meteen één van de uitdagingen: om de uitersten te verkennen.” Klarinettist/saxofonist Thomas L’Etienne zei ooit op een festival: “You made the banjo sound like a musical instrument.” Een compliment en een vuistslag tegelijk, al ziet Wouter het vooral als compliment. De muziek bezorgde hem wereldwijd vrienden, de banjowereld is maar klein, hooguit vijftig mensen geven er de toon aan en het spelen met die vrienden is een ontdekkingstocht gebleven die nooit ophoudt.

In Zweden speelde hij bijvoorbeeld kerkmuziek op de banjo om te ontdekken dat het instrument de tijden en culturen weet te overbruggen. Ook in Breda gaat dat gebeuren, zeker weten. Dat het festival minder ruimte laat aan de traditionele jazz, is een keuze die hij begrijpt. De fans ervan moesten slikken toen ze de concurrentie zagen komen van moderne jazz, blues, de cajun en de gypsymuziek. “De traditionele jazz wordt gaandeweg teruggedrongen tot jazzclubs – daar bloedt het langzaam dood.” Het beeld van bolhoedbandjes en publiek zittend op een stoel. In dat licht bezien geeft een festival voor jazz in vele soorten en smaken juist kans een jonger publiek aan te spreken. Misschien dat ze ontdekken uit welke bron de generaties aan jazzmusici voor hen zich hebben gelaafd. “Genoeg te ontdekken”, zegt Wouter – en hij kan dat weten.

Deel deze pagina met anderen